Soms gaan dingen anders dan normaal.
Normaalgesproken werk je je de blubber om je proefschrift deadline te halen, dan gaat je proefschrift naar de leescommissie, en als die het goedkeurt ga je promoveren.
Zo niet bij mij. Lang verhaal, maar waar het op neer kwam was dat ik me weliswaar de blubber werkte, en dat ik weliswaar mijn deadline moest halen, maar dat het proefschrift daarna niet naar de leescommissie ging. In plaats daarvan ging het in tijdelijke bewaring. Nadat mijn baas de proefschriften had weggebracht naar de Grote Proefschriftbewaarder riep ze nog jolig dat het nu in de kluis lag, achter slot en grendel tot ons grote geheim geopenbaard mocht worden aan de wereld.
Na een aantal weken wachten diende de heuglijke dag zich dan toch aan dat het proefschrift naar de leescommissie mocht. Ik mocht het zelf gaan ophalen bij de Proefschriftbewaarder. Ik wist niet helemaal of ik die verhalen over die kluis moest geloven, dus vol verwachting liep ik erheen.
Ik kwam de kamer binnenlopen en zag het volgende. Een grote, voornamelijk lege tafel met een computer. Een tropische plant.
En een kluis. Van ongeveer een meter breed en anderhalve meter hoog.
De Proefschriftbewaarder wist meteen wie ik was. Ze zette een gezicht op alsof ze hier al weken op had gewacht, en toverde een sleutel van ongeveer 20 cm lang ergens vandaan. Opgetogen liep ze richting de grote kluis. Ze stak de indrukwekkende sleutel in het slot (eerst verkeerd om – het was duidelijk niet iets wat ze dagelijks deed), en opende de kluisdeur.
Ik weet niet precies wat ik verwacht had te zien. Een grote zak met gouden munten? Een revolver? Stapels stoffige compromitterende documenten over chantabele universiteitsbobo’s?
Ik zag dit:
Een plastic mapje met wat onooglijke papiertjes erin.
Veel leegte, want de kluis was werkelijk enorm.
En de doos met mijn proefschriften.
Zou het dan werkelijk enig belang hebben wat ik in die vier jaar bij elkaar heb getypt?